Begrippen
Op het water worden voor andere benamingen voor een aantal dingen gebruikt als u wellicht gewend bent. Wij zetten de meest voorkomende voor u op een rij.
- Stuurboord: Rechts
- Bakboord: Links
- Gangboord: Looppad aan weesrzijden van het dek
- Afmeren: Het aanleggen van het schip aan de kant
- Vaarweg of vaargeul: Het deel van het water dat ook door grotere schepen kan worden bevaren, vaak met betonning
- Vaarwater: Het deel van het water waar een schip, hoe klein ook, kan varen. tenzij er een absoluut vaarverbod geldt
- Groot schip: Een schip langer dan 20 meter
- Klein schip: Een schip korter dan 20 meter
- Bilgepomp: Pomp die water uit het laagst gelegen deel van het schip pompt
- Bolder of kikker: Een metalen klamp voor het aan bevestigen van de touwen
- Betonning: Het door middel van boeien markeren aan één of beide zijden van de vaargeul.
- Voortros: Touw van de voorkant van het schip naar voren
- Voorspring: Touw van de voorkant van het schip naar achteren
- Achtertros: Touw van de achterkant van het schip naar achteren
- Achterspring: Touw van de achterkant van het schip naar voren
- Hogerwal: De walkant waar de wind vandaan komt
- Lagerwal: De walkant waar de wind naartoe waait
- Loefzijde: De zijde van het schip waar de wind tegenaan waait
- Lijzijde: De zijde van het schip waar de wind vanaf waait